Goddelijk verlangen

De berg staat er, onverstoorbaar. Vanaf deze kant van de voet, is de top niet zichtbaar. De tocht begint over verroeste platen, bevestigd op een stevig onderstel van metalen staanders en buizen. Er zit een ribbeltje op de platen, zodat je niet uitglijdt bij nat weer. Nu is het droog en zonnig. Al blijft het Noors weer, iets fris.

Met zijn vieren lopen we over de platen. Ze stijgen licht. Als het niet moeilijker wordt dan dit… Max heeft het tempo er goed in. Zijn natuurlijke neiging om iedereen voorbij te lopen, doet ook hier opgeld. Jasmijn pakt het lopen nu al serieus aan en houdt hem aardig bij. Tim, zonnebril op, pet achterstevoren, oortjes in, neemt het lopen voor lief.

Na een paar bochten, het stijgingspercentage van de platen neemt bij elke bocht toe, houdt het metalen pad abrupt op. Met een klein sprongetje sta ik met mijn voeten in de aarde. Ik sta even stil en volg het pad met mijn ogen. Jasmijn verdwijnt net om de eerste bocht. De blik is verraderlijk; de route lijkt vrij glooiend omhoog te gaan, maar als ik doorloop, vertellen mijn kuiten me anders. Ik check mijn waterflesje in mijn gordel. Ik heb nu al enorme dorst. Door de nieuwe medicijnen waar ik drie weken geleden mee gestart ben, is mijn mond veel sneller droog. Een bijwerking die nog wel overgaat, hoop ik. Ik zie dat Tim ook steeds verder van me verwijderd raakt en versnel mijn tempo iets.

De route is al begaan door duizenden mensen. Allemaal hebben ze deze stappen gezet. Het vriendelijk stijgende begin heeft de belofte van een ontspannen wandeling vol natuurschoon. Naarmate ik het metalen pad meer achter me laat, neemt de spanning in mijn kuiten echter toe en steeds vaker moet ik op een wortel of een richel stappen om me verder omhoog te hijsen. De bomen worden kaler en hun dichtheid steeds minder. De speling van de zon door de takken gaat geleidelijk over in het felle licht dat, niet meer gehinderd door gebladerte, vrij spel krijgt. Ik loop en klim, trek mezelf omhoog aan een tak die meebuigt onder mijn gewicht maar me net genoeg houvast geeft om niet te vallen. Max, Jasmijn en Tim zijn nergens meer te bekennen. Ik word ingehaald door Noren die fitter zijn dan ik, gewend aan de uitdagingen van hun land. Mijn benen doen pijn, mijn kuiten zijn zuur en mijn bovenbenen trillen af en toe onbedaarlijk. Mijn gehijg leidt me af en ik probeer mijn mond dicht te houden zodat het minder droog voelt. Maar als ik klim, kom ik lucht tekort en ik moet diepe teugen lucht nemen. Mijn tong plakt aan mijn gehemelte en minutenlang kan ik aan niets anders denken dan aan dat droge gevoel terwijl ik verder ploeter. Af en toe neem ik een slokje water. Het lauwe vocht zoekt zich een weg langs mijn tong en mijn tanden, naar mijn wangen en tenslotte mijn keel. Het ruwe, bobbelige wordt weer glad en mijn tong kan zich weer soepel door mijn mond bewegen. Dat voelt zo fijn dat ik het hele flesje leeg wil drinken, maar mijn verstand prevaleert. Ik loop hier, Max is in geen velden of wegen te bekennen en hij heeft de rest van de flesjes. Ik moet zuinig zijn.

Volgens de berg kan er nog een schepje bovenop. Het pad wordt steiler. De droge ondergrond geeft weinig grip en mijn schoenen glijden regelmatig weg over de losse zandkorrels die erop liggen. De wortels die als traptrede kunnen fungeren, worden steeds spaarzamer nu er alleen nog kleine boompjes staan. Op de smalle stukken hopen de mensen achter mij zich op en steeds moet ik opzij stappen om ze te laten passeren. Hoe doen zij dat? Mijn benen stoppen niet meer met trillen. De kracht om mezelf omhoog te duwen neemt daardoor af. Hijgend klauter ik verder, van mond gesloten houden kan geen sprake meer zijn. Mijn hart bonst zijn protest. Ik probeer de steken te negeren. Tranen lopen over mijn wangen en ik vloek over het verspilde vocht. Mijn flesje is allang leeg. Ik moet door. Het moet.

Ik ben alleen nog maar trillen, tranen, hijgen. Ik vraag me niet eens meer af waarom ik naar boven wil. Mijn tong laat mijn gehemelte niet meer los, voor eeuwig vastgeplakt en waarschijnlijk binnenkort vergroeid. Ik reik naar elk boompje op de route, wankelend op zoek naar houvast. Mijn voeten zoeken hun weg, ik zie ze gaan als ik naar beneden kijk. Glijdend en tastend. De zanderige paadjes hebben plaats gemaakt voor gesteente. Als het niet lukt mijn voet omhoog te zetten op een randje en me dan omhoog te duwen, probeer ik of ik mijn knie erop kan leggen en kruip op handen en voeten verder. De natte rug van mijn T-shirt voel ik al niet meer, of misschien is het opgedroogd in de zon. Die nu onbedaarlijk warm op mijn hoofd schijnt. Ik moet door.

Opeens realiseer ik me dat ik het al een tijdje hoor. Stromend water. Ik kijk om me heen, maar zie niks dat op water lijkt. Ik probeer het te lokaliseren. Het is vlakbij. Tussen het bonzen van mijn hart is daar opeens een vreugdesprongetje. Water! De pijn in mijn benen lijkt minder. Ik hervat mijn tocht maar in plaats van op de route te letten, concentreer ik me op het geluid van het stroompje. Het wordt steeds duidelijker waar het vandaan komt. De belofte van vocht maakt mijn tred steviger. Dan zie ik het. Een nat stroompje over een rotsige wand. Klein en niet op te vangen. Maar het is water. Ik weet nu dat ik het ga vinden. Mijn tong probeert zich los te scheuren van mijn gehemelte om zich alvast te strekken voor het water dat komen gaat. Het lukt niet. Ik probeer het te negeren, ik wil me niet af laten leiden nu ik zo dichtbij ben.

De route maakt nog drie bochten en daar is het. Water stroomt in een behoorlijke stroom van de bergwand af . Het gaat over een uitstulping en daar gaat het verder in een nog behoorlijk krachtige vrije stroom over de rand, in een vrije val naar de steen die eronder ligt. Ik kan erbij! Nog een paar meter. Dan sta ik voor het stroompje en maak van mijn handen een kommetje. Mijn kommetje hou ik onder de straal en ik buig mijn hoofd naar voren. Goddelijk verlangen. Mijn lippen tuiten en ik zuig. Het water komt in mijn mond. Koel. Koud, ijskoud. Mijn tong scheurt los van mijn gehemelte. Hij beweegt weer vrij in mijn mond. Hij wordt koud en glad en nat. Ik drink en ik drink. Mag dit? Mijn keel smeert zich en ik heb nu pas in de gaten hoe droog ook mijn keel was. Ik voel mijn tranen alweer stromen. Dat ik water drinken mag. De kou, het nat, de smaak. Ik drink en ik drink en dan maak ik mijn lippen los van het stroompje. Ik ga rechtop staan en kijk om me heen. Doordat de begroeiing hier zo laag is, is het uitzicht fenomenaal. Ik kijk naar het stroompje. Ik drink. Dan vul ik mijn flesje en na een laatste slok vervolg ik mijn weg.

Ik weet niet of het pad nu minder steil is, of dat het zo lijkt. Mijn lichaam is tot rust gekomen tijdens de drinkpauze. Ik loop, zoek met mijn voeten de weg, hou me hier en daar vast aan een boompje en loopt de volgende bocht om. Daar zitten Max, Tim en Jasmijn op een richel van de rotsige wand. Ik zie Jasmijn Max aantikken en naar mij wijzen. Alle drie kijken ze en ze lachen. Ik lach terug. Met hernieuwde energie leg ik de laatste meters af. Als ik voor Max sta, slaat hij zijn armen om me heen en ik begin heftig schokkend maar geluidloos te huilen. Hij houdt me vast tot ik bedaar. Ik veeg mijn tranen af en wijs naar het ijzeren platform dat tegen de bergwand is gemonteerd.

De vloer bestaat uit een rooster waardoor je naar beneden kijkt. Samen met Jasmijn ga ik op de uiterste rand staan en Max neemt foto’s. We kijken van ons af. De berg waar we opstaan is ongeveer net zo hoog als de omliggende bergen. Zilvergrijze toppen tekenen scherp af tegen de strakblauwe lucht. Ik kijk door het rooster naar beneden, de onmetelijke diepte in. Hoe lager, hoe meer bomen. Ik stel me voor hoe er een poortje in de reling van het platform zou zitten dat ik open kan doen. Hòe ik het open zou doen en gewoon over de rand zou stappen.

Dan draai ik me om en zie hoe Max aan de rand van het platform staat te twijfelen. Zijn hoogtevrees lijkt te winnen. Ik roep hem en Jasmijn vult aan hoe mooi het is, op deze plek van het platform. Tim stopt zijn oortjes in zijn zak en loopt voorzichtig naar ons toe, het laatste stukje versneld hij zijn pas. Van de zenuwen gaat hij snel praten terwijl hij opnoemt wat allemaal zo prachtig is. Max kan nu niet meer achterblijven. Met zijn vieren staan we voor de reling en we nemen een selfie. Dan draaien we ons om en nemen er nog een, met de bergtop op de achtergrond. Ik krijg slappe knieën als Tim zijn telefoon uitdagend over de reling houdt. Max geeft me een kus en grijpt mijn hand om samen het platform af te lopen. We kunnen weer naar beneden.

 

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s