Kiloknaller!

‘Honderd, honderd, ik heb honderd, wie biedt er meer? Ja honderdtien, honderdtien geboden, honderdtien, honderdtie-hònderdtwintig, ik zie honderdtwintig, ja honderddertig, honderdveertig, honderdtweeënveertig, honderdtweeënveertig-en-een-half, honderdtweeënveertig-en-een-half, eenmaal andermaal, honderdtweeënveertig-en-een-half, niemand meer? Honderdtweeënveertig-en-een-half is geboden… De taboedoorbrekende lezing over Depressie en Suïcide door de krullerige schrijfster van Halverwege het eindegaat naar stads beste boekhandel waar gegarandeerd het zaaltje op de bovenverdieping uit zal puilen met belangstellenden! Datum en tijd zullen volgen; houdt de landelijke dagbladen en het nieuws in de gaten voor meer informatie. Volgende item op deze veiling…’

IMG_0394

En dan nu: over naar de werkelijkheid. Ik heb het vaker geroepen. Op depressie rust nog steeds een taboe. Op het bespreekbaar maken van suïcide nog meer. Campagne van de overheid Hey, het is okay en het in het leven roepen van hulplijn 113 suïcidepreventie ten spijt.

Met mijn debuutroman in de hand kan ik verschillende boekhandels instappen en vragen om een signeersessie. Misschien lukt dat, misschien ook niet.

Ik ben vooralsnog een onbeduidende debutante waarvan nog maar moet blijken hoe goed ze in de boekenmarkt ligt. Tijd en ruimte vrijmaken in de winkel en zelfs nog investeren in de aanschaf van een paar exemplaren van Halverwege het eindeheeft een zeker risico. Stel je voor dat nul lezers een handtekening komen halen? Blijf je als boekhandelaar zitten met zo’n stapeltje potentieel oud papier.

Dus ik kan daar om vragen, maar ik dacht: Wie zit daarop te wachten? En, zit er niet meer in het vat? Eigenlijk wil ik niet alleen handtekeningen uitdelen. Ik wil bijdragen aan het doorbreken van het taboe. Dat kan ik ook. Ik heb kennis, ervaring, een verhaal en zelfs een boek! Ik ben een kant en klaar pakket.

Tig boekhandelaren heb ik aangeschreven. Een aantal bibliotheken. Organisaties waar lezingen worden gehouden over alle mogelijke onderwerpen. De reacties zijn verschillend.

Met stip op één staat de reactie: Niet Reageren. Dat is verreweg de leukste, want daar kom je heel geleidelijk achter. Je denkt, goh, had ik die en die niet gemaild? Ga je je mail checken: o, zelfs een herinneringsmail na een paar weken… Dan denk je: hè, klopt dat nou, heb ik daar en daar geen antwoord van gekregen? Daarna is het verloop eigenlijk net zoals bij een depressie. De Niet-Reacties sluipen erin en op een bepaald moment voel je je niet gewaardeerd, overbodig en dan word je vanzelf een beetje somber.

Maar gelukkig daar als tegengif reactietype twee: We-houden-je-een-tijdje-aan-het-lijntje. Die wordt steevast afgesloten met ‘we vinden het heel vervelend om te zeggen, maar: toch maar niet. Misschien kun je dit en dat nog proberen, maar bij ons zien we het niet zitten.’ Ze zullen het vast serieus bekeken hebben als er meer dan twee mails heen en weer gegaan zijn voor zo’n eindconclusie komt.

Het mooiste voorbeeld van dit type reactie, beleefde ik vandaag. Ik had een afspraak, in de beste boekhandel. Ik kom er graag voor een goed boek. Dit samenzijn was de resultante van een wat moeizame mailwisseling die niet zo frequent was maar wel de hele zomer in beslag nam. Eigenlijk weet je het dan al, maar als enthousiaste debutante laat je natuurlijk geen mogelijkheid onbenut. Netjes aangekleed, zelfs lippenstift op, ik was er klaar voor en ik toog erheen. Al voor ik me liet zakken op de stoel die me aangewezen was, voelde ik de afwijzing. ‘Verkeerde kleur lippen?’ dacht ik nog. Maar nee. Waar het uiteindelijk op neer kwam, was de angst voor zo’n heel zaaltje vol suïcidalen die tijdens of na zo’n lezing vast en masse zelfmoord zouden gaan plegen. En dat daar dan onvoldoende hulpverlening beschikbaar voor zou zijn. En dat dan onduidelijk zou zijn bij wie de verantwoordelijkheid voor dit alles nou eigenlijk lag. Persoonlijk denk ik dat degenen die daadwerkelijk suïcidaal zijn en tot actie over willen gaan, niet naar mijn lezing komen. Die hebben op dat moment vast iets anders aan hun hoofd. Enfin, ik zag er de bevestiging in hoe noodzakelijk lezingen over depressie en suïcide nodig zijn. Dus wil je bieden? Biedt maar!

Het derde type reacties, dat zijn de leukste. Die komen uit onverwachte hoek. Dan heb ik niemand, benaderd, geen antwoord gemist, nee, die komen vanzelf bij mij terecht. Al kan ik me niet helemaal onttrekken aan de indruk dat mijn uitgevers daar wel eens achter zitten. Dan word je gevraagd voor een interview in een krant of op de radio. Ik mocht zelfs een keer mijn verhaal doen tijdens een tv-opname voor een regionale omroep. En dat is natuurlijk allemaal hartstikke leuk èn anti-depressief. Zo staan er nog een signeersessie, een afspraak in een bibliotheek en voor een radio-opname op het programma. Wie weet kom ik ooit nog terecht bij Ranking the stars. Dan hoop ik dat ik naast Georgina Verbaan sta!

Tussen keelpijn en oorsmeer

1999

Het is een donkere nacht. De nieuwe maan is niet zichtbaar door het dikke wolkendek. Ik heb net de telefoon doorgeschakeld naar de doktersdienst en mijn semafoon in mijn broekzak gestopt. Met mijn visitetas loop ik door de vrieskou naar mijn auto. Ik stap in en na twee keer sputteren slaat de motor hakkelend aan. Opgelucht rijd ik de straat uit. Hij doet het.

Ik haal de route voor de geest en volg de Rijksweg de binnenlanden in. Bij de vervallen boerderij waar een paar jaar geleden een allesverwoestende brand het achterste deel en de stallen in zijn greep heeft gehouden, verlaat ik de Rijksweg en draai het landweggetje op. De oude eik met zijn geblakerde takken lijkt me na te kijken als ik in het donker verdwijn. Ik huiver even, maar richt me dan weer op de route.

Nadat ik een paar keer afgeslagen ben, zie ik in de verte de alarmlichten van een personenauto knipperen. Een zucht ontsnapt aan mijn lippen. Ik had het de boer die voor een visite belde voor zijn vrouw, gevraagd. Op het platteland zie je het knipperen ’s nachts al van verre en dan weet je tenminste welke richting je ongeveer aan moet houden. Ik zet koers naar de oranje uitnodiging en na zeven minuten ben ik ter plaatse. De auto staat aan de kant van de weg als een lokvogel zijn werk te doen en ik parkeer de mijne ervoor. Mijn semafoon laat me zien dat ik nog een puntje bereik heb. Binnen nog een keer controleren dus.

Ik loop de oprit op. Het huis is omgeven door een dichte haag van coniferen. Aan de voorkant is alles donker. Ik zie geen bel bij de voordeur. Als ik klop, komt er geen reactie.

Niemand weet dat ik hier ben.

Hoe lang zal het duren voor ze me missen? Langs de zijgevel loop ik naar achteren, op zoek naar een tweede deur. Bij het raam verraadt door een kier vallend licht dat er binnen leven is. Ik ga de hoek om en zie de donkere vlek van wat nog een deur moet zijn. Ik tast naar een klink en net als ik die naar beneden wil drukken, licht op nog geen halve meter het vuur van een sigaret op. Van schrik geef ik een gil en ik zet een stap naar achteren.

Een bulderende lach. ‘Ik wil je niet laten schrikken, dokter! Sorry. Kom maar mee, ik breng je naar mijn vrouw.’

2014

Het is een donkere nacht. De nieuwe maan is niet zichtbaar door het donkere wolkendek. De ruitenwissers piepen als ze de motregen met tegenzin van de voorruit vegen terwijl de slagboom van het parkeerterrein voor het ziekenhuis omhoog gaat. Ik draai achteruit naast de ambulance van de huisartsenpost op en graai in een beweging de autosleutel, mijn jas en mijn visitetas mee. Nachtdienst. Morgen weer lekker brak thuiskomen, paar uur slapen en me dan nog brakker naar de praktijk slepen om de visites van vandaag in te voeren, daar had ik vanmiddag geen tijd meer voor.

Ik loop het souterrain in waar de huisartsenpost gevestigd is en zwaai naar de assistente door het met kogelwerend glas afgeschermde loket. Met haar ene hand zwaait ze terug terwijl ze met haar andere hand op een knop drukt en ondertussen via de headset een patiënt te woord staat.  Een harde zoem klinkt en ik duw tegen de deur die toegang verschaft tot de wachtkamer.

Als ik doorloop naar de assistenteruimte, kom ik langs het rek met noodpiepers. Ik twijfel even. Tot nu toe weiger ik er eentje bij me te dragen. Eén van de assistentes komt bij me staan: ‘Je hebt zo meteen een visite. Een man die met een honkbalknuppel op zijn knieën is geslagen en niet meer zou kunnen lopen. Maar die man heeft ook 112 gebeld en de politie heeft die melding gezien. Ze belden om te zeggen dat je beter niet zonder begeleiding erheen kunt, de patiënt zou vuurwapengevaarlijk zijn. De meldkamer moet nog beslissen of zij gaan rijden, maar waarschijnlijk niet.’

In de koffiekamer verruil ik mijn jas voor een geel reflecterend geval dat me veel te groot is, met de letters ‘arts’ op mijn rug. Ik rol de mouwen op. Inmiddels heeft de meldkamer laten weten dat wij kunnen gaan. Politie wacht ons ter plaatse op voor begeleiding.

Na een rit van vijf minuten parkeert de chauffeur de ambulance achter het politiebusje. Tegelijk met ons stappen twee dames in uniform uit. Door hun wapen en kogelwerende vesten zien ze er indrukwekkend uit. Ik ben me opeens sterk bewust van mijn nietigheid in mijn ruime jas en dokterstas. Gezamenlijk zetten we koers richting de flat met drie verdiepingen. Als in een spannende film knippert het licht in het sterk vervuilde trappenhuis. Een zure lucht dringt mijn neusgaten binnen. Op de derde verdieping is de galerij donker, de deur waar geen klink meer inzit, klappert tegen de balustrade. Bij het achterste appartement brandt licht. Daar moeten we zijn. Als we voor de voordeur staan, zien we een ingeslagen ruitje en bloeddruppels op de deurpost en op de vloer. Bij gebrek aan een deurbel klopt een van de twee agenten stevig op het raam. Een knaap van een jaar of vijfentwintig doet open, ondertussen zijn spijkerbroek vol vlekken ophijsend. Zijn bovenlijf is ontbloot. Een kleurige draak siert zijn borst, de bek lijkt de tepel te happen. Hij steunt met beide handen tegen de deurposten en speurt de galerij af. De patiënt ligt binnen op de bank en is dronken en boos. Ik besluit dat we niet naar binnen gaan, de patiënt zal bij de deur moeten komen. Blijkbaar hoort hij de woordenwisseling aan de deur want hij komt al scheldend aangestrompeld.

‘Flikker op! Klootzakken! Wegwezen! Is dat nou de zorg in Nederland?! Gekloot!. Maak dat jullie wegkomen, anders zal ik eens een handje helpen!’ Dreigend heft hij zijn vuist naar ons op.

Ik stel vast dat hij in ieder geval prima kan lopen, ondanks de mogelijke klappen op zijn knieën. Geen letsels dus die niet kunnen wachten tot hij nuchter is.

De politie probeert nog wat vragen te stellen over het bloed, maar wordt niet veel wijzer. Achteruitlopend verlaten we de galerij.

 

Lezersrecensie op Facebook

Lezersrecensie van Dimphy de Hamer september 2018
Ik heb genoten van jou boek! Als de kinderen ‘s avonds op bed lagen dook ik ermee op de bank..het eerste boek dat ik in vijf jaar uitgelezen heb. Boeiend geschreven, het karakter nam me echt mee in haar verhaal. En idd op een aantal punten confronterend, hoe de basis voor depressie al in de jeugd gelegd wordt, wat we voortdurend in ons hoofd afspelen en voor waar aannemen. Het niet bewust kunnen genieten maar ergens vanaf de zijlijn toekijken, alsof je zelf niet het recht hebt gelukkig te zijn was herkenbaar!

Recensie op Hebban van Yvonne Franssen-Auteur van ‘Schaduwen’

Lezersrecensie van Yvonne Franssen-Auteur, september 2018
Halverwege het einde is geen vrolijk boek. Het vertelt het verhaal van huisarts Ubele, die kampt met depressies. Afwisselend leren we Ubele kennen als kind, jongvolwassene en moeder met een gezin.

Het verhaal wordt op een laconieke toon verteld, zodat het – ondanks het zware onderwerp – heel plezierig leest. Sommige zinnen zijn zelfs haast poëtisch.
Juist door de haast luchtige toon van het verhaal, realiseer je je gaandeweg steeds beter wat het betekent om depressief te zijn. Je zou af en toe in het boek willen stappen om Ubele te omhelzen en te zeggen dat ze ertoe doet.

Ik vind Halverwege het einde een prachtig én leerzaam boek!

Recensie Van Yvonne Franssen op Hebban

 

Gastblog: Werkoverleg!

‘Schrijven is een eenzaam beroep.’ Hoe vaak heb ik dat niet gehoord. Met erachteraan de vraag of het voor mij niet beter zou zijn iets te doen waarbij ik meer onder de mensen kom. Geloof mij: als ik niet al gek was, zou ik het worden als ik voortdurend mensen om me heen had.

Bovendien is het een misverstand. Het is lang niet zo solistisch als het lijkt. Onderstaande blog het daarvoor het wetenschappelijk bewijs. Yvonne Franssen, thrillerschrijfster met vier thrillers en een dichtbundel op haar naam, schreef hem naar aanleiding van ons intercollegiaal overleg afgelopen week in Venray.

Maschaenik

——Werkoverleg!—–

Door Yvonne Franssen

12/09/2018

Maandagavond, even na achten. Hoewel het meteorologisch gezien al herfst is, lijkt het in werkelijkheid meer op een zwoele zomeravond. Op de diverse terrasjes aan de markt genieten mensen van de laatste stralen avondzon en elkaar. Zelf loop ik aarzelend, met mijn telefoon in de hand, op zoek naar het afgesproken café.

‘Hier rechts,’ schalt de stem van de navigatie beschamend hard over het plein. Met een, naar ik hoop, nonchalant gebaar stop ik het toestel in mijn tas en speur naar een straatje rechtsaf, totdat ik besef dat ik pal voor mijn bestemming sta.
Binnen kijk ik zoekend om me heen, maar ze is er nog niet. Ik kies een rustig plekje achterin, van waaruit ik de ingang in de gaten kan houden en bestel een kop koffie. Even later zie ik Mascha binnenkomen en speurend om zich heen kijken.
Ik had op de parkeerplaats de gelegenheid te baat genomen om een van de glazen hokjes met een betaalautomaat te verfraaien met een poster van Schaduwen, maar ook Mascha is voorbereid. Ze heeft niet alleen een exemplaar meegenomen van Halverwege het einde, haar eigen debuutroman, maar ook eentje van Schaduwen. Want er moet natuurlijk wel een foto worden gemaakt, en een foto zonder onze boeken telt niet.
Hoewel we elkaar pas twee keer eerder ontmoet hebben, en er bij die gelegenheden geen mogelijkheid was om uitgebreid kennis te maken, voelt het meteen vertrouwd. We praten over onszelf en schrijven en ambities en boekpromotie en al dat. Het is fijn om te horen hoe een ander het schrijfproces heeft ervaren, om overeenkomsten en verschillen te ontdekken. En het is nóg veel fijner om samen plannen te smeden. We beleven dezelfde spannende tijd, en we willen daar allebei graag een succes van maken. En dat gaan we dus doen, hebben we besloten. Geen twijfels, geen gezeur, ertegenaan! Dus. Wordt beslist vervolgd!

 

 

Nemen we vandaag de trein?

Wereld Suïcide Preventiedag 2018

Mijn dochter staat naast mijn bed. Na weer een slapeloze nacht ben ik tegen de ochtend alsnog in slaap gevallen. Op de automatische piloot heb ik de wekker uitgezet, zonder enig besef dat ik dan ook op moet staan. Pijn. Overal pijn. Mijn dochter kijkt me glimlachend aan: ‘Nou mama, heb je toch nog even lekker geslapen!’

Dit is niet het begin van een volgende depressieve dag, maar gewoon eentje nadat ik de vorige dag hard in de tuin had gewerkt. Ik had spieren aangesproken waarvan ik als ex-dokter het bestaan wel weet maar die ik, zoals veel anderen, nooit gebruik. Fitter word je er niet van. Wel voldaan. En slecht slapen? Dat hoort bij mij.

IMG_8900

De pijn en de vermoeidheid passen wel bij het thema van deze dag. Wereld Suïcide Preventiedag. Een dag die me een dubbel gevoel geeft. Als schrijver van mijn boek wil ik op deze dag aandacht vragen voor het thema.

Dat is hard nodig, zo bleek dit weekend wel op Twitter. Eén of andere minister twitterde een jaar of negen geleden bij gebrek aan kennis en (zijdelingse) ervaring een domme tekst over het gebrek aan creativiteit van zelfmoordenaars. Nu, zoveel jaar later, heeft iedereen daar een mening over. Het woord zelfmoord wordt trouwens langzaam vervangen door zelfdoding, maar ik denk niet dat de achterblijvers daar minder verdrietig van worden. Hoe dan ook in de vele reacties op Twitter staan termen als: egoïstisch, eerst beter nadenken, de trein krijgt vertraging en daardoor komt iedereen te laat. Maar ook andere verwijten, vooral de slechte GGZ in Nederland krijgt het te verduren.

Suïcide als gespreksonderwerp verdient nog veel aandacht. De afgelopen weken zocht ik contact met verschillende organisaties en boekhandels. Zou het niet mooi zijn 10 september, WSP-dag, aan te grijpen voor een gezamenlijke activiteit? Na aanvankelijk enthousiasme, kwam er huiver. Na huiver de stilte. En na de stilte mijn desillusie.

Zelfmoord. Zelfdoding. Suïcide. Ik denk aan de eenzame cocon waar je in zit en waar niemand meer doorheen komt. Het zuigen, het trekken aan je, die niet te weerstane drang jezelf om zeep te helpen. Daar is geen ruimte voor ratio. Als die er wel was, zou je jezelf niet voor de trein gooien, maar naar je therapeut laten rijden. Of 113 bellen, dan hoef je de deur ook niet uit. Creativiteit, egoïsme, beter nadenken, vertraging… Ik sluit mijn ogen en voel wat deze kreten met mij doen.

Niets. Gebrek aan kennis, gebrek aan ervaring, dat kun je je medemens niet verwijten. Depressie en eenzaamheid kun je trouwens ook niemand verwijten. Impulsdoorbraak en psychose ook niet. Of nou ja, in geval van drugsgebruik…

Wereld Preventie Suïcidedag. Wat brengt ons deze dag? Vrij weinig eerlijk gezegd, buiten de spierpijn en het vermoeide gevoel als herinneringen aan mijn noeste arbeid gisteren. Het voelt toch wat treurig. Maar dan denk ik aan mijn dochter. Ik heb inderdaad nog een uur extra lekker geslapen.

TV debuut!

Terwijl de koeien loeien voor mijn volgende roman, is er gelukkig onverminderd aandacht voor mijn debuutroman ‘Halverwege het einde.’ Woensdag 29 augustus 2018 beleef ik mijn tv-debuut.

RTV Zaanstreek heeft mij uitgenodigd in het programma van Bert van Galen te komen praten over het huisartsenwerk, depressie en mijn roman ‘Halverwege het einde.’ Begin september wordt het uitgezonden en daarna krijg ik de opnames om op mijn website te plaatsen.

Ik heb er zin in!

Brand!

Als ik terug ben bij mijn computer, kijk ik op het beeldscherm van mijn mobiel. Twee gemiste oproepen van mijn dochter en een berichtje van onze vroegere buurman. Het bericht luidt: ‘Hey, is die brand bij jullie?’
‘Slechte grap,’ denk ik nog, maar dan valt me opeens de combinatie van deze drie meldingen op. Ik bel mijn dochter en meteen klinkt haar vertrouwde stem in mijn oor. ‘De vlammen slaan uit het dak!’
Kalmte neemt bezit van me. ‘Welke vlammen slaan waaruit? En waar ben je?’
‘Er is brand, bij de buren. Ik ben thuis, ik sta bij de tweede voordeur.’
We hebben sinds kort een huis met twee voordeuren. Al die jaren dat ik op zoek was naar ruimte, dacht ik dat het vooral ging om ruimte om me heen. Ruimte in huis. Ruimte in de straat, in de wijk. Ruimte in ons land zelfs; ik heb serieus overwogen om naar Zweden te verhuizen omdat het zo’n groot, dunbevolkt land is. Een rood houten huis met een veranda, tegen een berg, omringd door eindeloos veel dennenbomen. Tot ik me realiseerde dat ik daar waarschijnlijk het dennenboomsyndroom zou krijgen en de winters wel erg donker zijn; goede ingrediënten voor een nieuwe depressie. Dus het idyllisch Zweedse plaatje moest het veld ruimen voor een huis met veel licht, in een ruim opgezette wijk en de mogelijkheid om de deur uit te lopen, met de hond de natuur in, maar bij aanhoudend slecht weer en winterse dagen volop ruimte binnen om me te installeren met laptop en te schrijven. We hoefden maar 600 meter naar links te verhuizen om dat te realiseren.
IMG_0084
Dat huis heeft twee voordeuren. Vijf jaar therapie om inzicht te krijgen in mijn depressies, diezelfde vijf jaar heeft dit huis te koop gestaan. Op ons gewacht zou ik willen zeggen. De twee voordeuren scheppen bij menigeen verwarring. Mensen denken dat het twee huizen zijn. Of dat we de entree verplaatst hebben. Of dat we praktijk aan huis hebben.
Ik zie trouwens echt niet hoe je hier een praktijk zou moeten voeren, tenzij je dertig jaar terug in de tijd gaat, het vrouwtje de telefoon aanneemt tussen het vouwen van de was door en af en toe een afspraak noteert terwijl manlief met een smeulende sigaar in zijn asbak op het bureau de patiënten ontvangt, achterover leunend, de handen gevouwen.
IMG_0083
Zelf weet ik nog niet wat ik van die deuren moet vinden. Het vorige huis kende slechts één toegangsweg: de voordeur. Achter was water dus via de tuindeur kwam je niet ver. Dit huis heeft, naast twee voordeuren, een zijdeur, een garagedeur en vier mogelijkheden om jezelf toegang tot de tuin te verschaffen vanuit huis. Wat een enorme vrijheid brengt dit huis. Maar vooral: wat een veiligheid.
Want waar ik ook naar toe ga, ik kijk altijd eerst hoe ik eruit kan bij brand. De verbrandingsdood lijkt mij een van de verschrikkelijkste. En nu zijn we van één naar acht mogelijke vluchtroutes gegaan. En dan breekt er brand uit bij de buren.
Ik spreek met mijn dochter af dat ze allemaal naar buiten gaan. Mocht het overslaan of mocht het bos waaraan wij wonen in de vlammenzee opgaan en zo de brand naar ons transporteren, dan zijn ze in ieder geval veilig. Het is een half uurtje rijden en als ik de straat in kom, stuit ik op het ramptoerisme. Alles is afgezet, ons huis ook. Ik zet mijn auto voor het lint en kruip er onderdoor. Achter me hoor ik mensen fluisteren of ik de huisarts ben en er dus gewonden gevallen zijn bij de brand. Nee, ik ben niet de huisarts. Ik zal nooit meer de huisarts zijn. Het blijft pijnlijk. Maar mijn dokterstred ben ik niet verloren. Niemand houdt me tegen. De kinderen komen met de hond de kruisende straat uitlopen. Ach wat een schatten. Zij zijn gewoon een wandelingetje gaan maken in plaats van te staan kijken. De vier brandweerwagens lijken de klus te hebben geklaard. Het dak van de buren is zwart en er mist een stuk, maar beneden lijkt alles in orde.
We gaan naar binnen en praten na. Ondertussen peins ik wat. De brand, de omstanders, de hectiek, de brandweer, in feite staan ze symbool voor de onrust die jaren in mijn hoofd aanwezig was. Ik realiseer me hoe goed het met me gaat. De brand in mijn hoofd is geblust.

%d bloggers liken dit: