Radiodebuut!

IMG_9093
Op 5 juli beleef ik mijn radiodebuut. Ik stond ooit op de planken, was zelfs een keer op tv maar was nooit eerder te horen op de radio. Door radio Amsterdam FM ben ik uitgenodigd om aanstaande donderdag tussen 14.00 uur en 15.00 uur live te komen vertellen over mijn roman ‘Halverwege het einde.’ En dat doe ik graag! Ik hoop dat je luistert. http://www.amsterdamfm.nl

Therapeutisch hondje

Nina springt tegen ons op en drentelt om ons heen. Ze kronkelt om bij ons in het gevlei te mogen komen. Elf maanden, afgedankt, barstensvol energie in de kooi van vijftig bij tweehonderd centimeter, net zindelijk maar nu verplicht haar eigen nest te bevuilen. Aan de riem van de dierenverzorger van het asiel weet ze dat ze even naar buiten mag, maar welke vrijwilliger haar nu meeneemt is een verrassing voor haar. Ze heeft geen weet van het vragenvuur waaraan wij zojuist bloot zijn gesteld om te beoordelen of wij honds genoeg zijn om haar mee te mogen nemen.
Deze lieve labrador gaat mij helpen. Bij alle depressies die ik heb meegemaakt, is een ding me wel duidelijk geworden. Lopen en hardlopen helpt. Tenminste een beetje. Nu ik arbeidsongeschikt thuis zit, sta ik mezelf toe me iets te laten ondersteunen. Een hond kapt de discussie over wel of niet gaan lopen in je hoofd af. Het is lopen of dweilen.
Nina is gelukkig een gemakkelijke hond. Wandel ik, dan wandelt ze mee. Ga ik hardlopen, dan rent ze mee. Ga ik op een bankje zitten, dan wroet ze met haar neus in de grond of ze zoekt het water op om haar zwemvliezen hun werk te laten doen. Voel ik me slecht, dan komt ze dicht bij me liggen, het liefst tegen me aan. Ben ik vrolijk, dan daagt ze me uit.

De ene hond is de andere niet. Lieve Laika, zeven jaar, heeft een veilige plek nodig. Ze is lange tijd verwaarloosd, vel over been, een hysterisch makende jeuk tart haar en haar vacht moet je met de loep zoeken. Natuurlijk mag ze bij ons. Leuk ook voor Nina, een vriendinnetje.
Het vriendinnetje blijkt een bibberend hoopje hond. Van elk geluid schrikt ze en dan vliegt ze luid blaffend overeind. Ze stinkt en als je haar een aai geeft heb je een zwarte hand. Verwaarlozing. Emotioneel, fysiek, bij mensen een goed ingrediënt voor langdurige recidiverende ernstige depressies. Is dat bij honden ook zo? Ik heb geen idee. We gaan aan de slag om dit hondje op te lappen. Dat lukt boven verwachting goed. Met het juiste voer knapt ze op, haar vacht wordt dikker, de doffe blik uit haar ogen verdwijnt. Speciale shampoo verdrijft de jeuk. Ze negeert Nina volkomen en bumpt haar gewoon aan de kant om ons te laten zien hoe goed ze netjes kan zitten voor de riem, een snoepje, een aai. Ligt Nina aan onze voeten? Zij ligt erop! Steeds vaker druipt Nina af naar haar kussen om er de hele avond niet meer af te komen.
Lieve Laika, dankbare hond, zoveel liefde gevend, ontwikkelt zich tot een terrordor. Zodra ik mijn hielen licht, begint ze te piepen en als ik niet snel genoeg terug kom, blaft ze de buurt bij elkaar. Ik word gekweld door obstipatie want mijn toiletbezoeken mogen enkel nog kort zijn. ’s Morgens om half vijf heeft ze me nodig. Ik slaap tegenwoordig op de bank verder, zodat de rest van het gezin gewoon kan slapen tot de wekker gaat. Als we buiten wandelen waakt ze over me en elke hond die in haar ogen een bedreiging voor mij vormt, wordt de les gelezen met als het lukt een hap toe. Nina sjokt met lede ogen achter ons aan en wacht tot Laika klaar is met haar verdedigingsritueel. Ik hou me vast aan de grappige sprongen als ze los loopt, de sprintjes die ze trekt, de blijheid als ze achter de frisbee aanrent en haar innerlijk geluk als ze een tennisbal ontdoet van zijn groene jasje om hem daarna te vierendelen.
Laika is een schat, om op te vreten. Maar ik voel me opgevreten. Ik begin uit te rekenen hoe lang ze nog kan leven. Hoeveel dagen ik niet van huis kan omdat ze de buurt terroriseert met haar geblaf als ik er niet ben. Mijn aanwezigheid is haar houvast maar steeds duidelijker komt het besef dat ik haar moet loslaten. Binnen de menselijke psychiatrie zou ik van Borderline persoonlijkheidsstoornis spreken. En Nina? Die is depressief.
IMG_7581
Het nest waar je uit komt is bepalend voor je levensgeluk. Een gezonde omgeving maakt dat je wel tegen een stootje kunt. Je gaat het leven aan en een tegenslag bied je het hoofd. Een ongezond milieu maakt je ziek. Als dat maar lang genoeg bestaat, ga je stuk. De restschade neem je je hele leven met je mee als een zware rugzak die je niet af kunt doen. Je werd er niet mee geboren, maar je gaat er wel mee dood. Als je met zo’n zieke omgeving niet kunt leven, is het goed om die achter je te laten, ook al is dat niet altijd gemakkelijk. Het verbreken van banden kan helend zijn.
Gelukkig voor Laika zijn er plekken in Nederland waar ze heel goed zijn met dit soort getraumatiseerde honden. Onwetend van haar verhuizing vertrok ze. Ook al dacht ze dat ik nog de enige houvast op de wereld was, ze zal me nooit meer zien. In haar nieuwe omgeving krijgt ze stabiliteit, iets wat ik haar met mijn depressies niet kan bieden. En Nina? Die heeft een gat in de heg gevonden en gaat elke dag op strooptocht. Als ze terugkomt ploft ze voldaan neer aan mijn voeten en getuige haar bewegingen en geluidjes droomt ze van de konijnen in het bos en de takken die ze daar als een houtversnipperaar vermorzelt. Zij is mijn therapeutisch hondje.

Boekmarketing, dat doet je uitgever toch?

————————————–Recensie————————-

Boekmarketingdag 14 juni 2018

‘Boekmarketing is een ondergeschoven kindje.’ Dit is de stelling van Jolanda Pikkaart-de kleurrijke schrijfcoach en Marelle Boersma, auteur van meerdere thrillers waaronder bestsellers. Met hart voor hun werk èn de toekomst vinden ze hun uitdaging in het delen van hun kennis en het op weg helpen van debutanten. Het idee voor de Boekmarketingdag is geboren.

14 juni 2018 was het zover. Na een introductie waarin een aantal basisprincipes werden aangestipt, ging het programma echt van start. Er werd uitgebreid stil gestaan bij de rol van de uitgever en auteur bij boekmarketing en er werd gediscussieerd over wat boekmarketing nou eigenlijk is. Het belang van haakjes, posts in de media of het schrijven van blogs als je boek een zwaarder onderwerp omvat. Maar ook het nut van het formuleren van één kernzin die de inhoud van je boek weergeeft en een lijst van kernwoorden die je je kunnen scherpen om op het juiste moment aan te haken bij de actualiteit. En laten we vooral de ideale lezer niet vergeten!

In de pauze werd gezamenlijk geluncht. Schrijvers en schrijvers in spe ontmoetten elkaar en wisselden ervaringen uit. Bekenden en onbekenden legden contact en iedereen was verbonden door een gezamenlijk doel: je boek schrijven en zorgen dat het gelezen wordt. Het was gezellig, inspirerend, vernieuwend.

In de middag werden diverse workshops gegeven waarbij deelnemers in gesprek konden met experts op gebied van de verschillende takken binnen de boekmarketing. Jolanda Pikkaart-de kleurrijke schrijfcoach en Marelle Boersma-Auteur verzorgden zelf twee van de workshops. Daarnaast waren er drie gastexperts.
Denise Hulst, expert in Auteursbranding, liet je met enkele eenvoudige situatieschetsen kijken naar je eigen rol als auteur. Bewustwording creëert de mogelijkheden.
Aletta Armee is expert op gebied van video-marketing. In gesprek met haar kon je leren hoe een boektrailer je boekpromotie kan ondersteunen, een nieuwe methode en natuurlijk helemaal van deze tijd.
Linda Graanoogst -Met gemak in het nieuws is publiciteitsexpert. Onder het motto ‘Denk groot’ liet ze je nadenken over je eigen mogelijkheden in het contact leggen met de pers. Ze sprak over het belang van consistentie als auteur en het nadenken over wie je wilt zijn.

Verrijkt met ervaring en plannen werd de dag gezellig afgesloten met een borrel.

Mascha Gesthuizen | Auteur van ‘Halverwege het einde’
https://maschagesthuizen.nl

Kinderen heb je te leen

‘Het deed me denken aan de boeken van Hannes Meinkema of Anna Enquist, Dimitri Verhulst of Griet op de Beeck.’ Ik draai het kaartje om en kijk naar de vrolijke klaprozen op de voorkant. Op tafel ligt de envelop waarop mijn naam prijkt. Nogmaals lees ik de tekst. Het staat er echt. Mijn roman wordt door de schrijver van het kaartje in dat rijtje geplaatst. Hoe fantastisch is het dat iemand, al is het maar een iemand, jouw boek in een adem noemt met deze grote schrijvers? Ik ben diep geraakt.

Vandaag is de verjaardag van mijn dochter. Met haar vijftien jaar een hele meid, eigen wil, eigen ideeën, boordevol ambitie en mogelijkheden. Puberaal tergend, om achter het behang te plakken. Lief en onschuldig. Mijn dochter is trots op mij en ik op haar. Als ze straks thuiskomt, gaan we taart eten en koffie drinken. Oma komt natuurlijk. En aan het eind van de middag komen haar vriendinnen voor een avondje fajitas eten, spelletjes doen en dan een slaapfeestje op de zolder. Slingers zijn zorgvuldig opgehangen en gisteravond hebben we de boodschappen gedaan; zij koos uit en ik rekende af.

Mijn oma zei altijd: ‘Kinderen krijg je niet, kinderen heb je te leen.’ Ik vond dat vroeger en rare zin. Hield oma dan niet van haar kinderen? Maar ik denk dat ik haar begin te begrijpen. Mijn dochter, en mijn zoon natuurlijk ook, zijn in de eerste plaats van zichzelf. Zonder aandacht, liefde, begrip, geduld en grenzen zal het moeilijk voor ze zijn autonoom te worden. Met steun van hun ouders wordt de weg vrijgemaakt naar een potentieel goed en succesvol leven. Hun leven.

Bij de totstandkoming van mijn boek heb ik iets soortgelijks ervaren. Mijn roman ‘Halverwege het einde’ is de uitkomst van een ingewikkeld proces. Het verhaal kwam los van zijn achtergronden en ging op zichzelf staan, klaar om autonoom te worden, de waarheid hier en daar te verlaten en eigen waarheden tot zich te nemen. Het verhaal in het boek te worden en niet meer mijn verhaal. Ik had het geleend voor mijn proces en geef het nu weer terug aan zichzelf, aan het boek, aan de lezer. De schrijver van het kaartje kwam tot de vergelijking met Meinkema, Enquist, Verhulst en op de Beeck door de ingetogenheid, de beschreven observaties en het in mooie woorden verwoord leed. Is mijn boek op weg naar een succesvol leven? Ik weet het niet. Ik weet wel dat ik dankbaar ben dat het nu bestaat.

Goddelijk verlangen

De berg staat er, onverstoorbaar. Vanaf deze kant van de voet, is de top niet zichtbaar. De tocht begint over verroeste platen, bevestigd op een stevig onderstel van metalen staanders en buizen. Er zit een ribbeltje op de platen, zodat je niet uitglijdt bij nat weer. Nu is het droog en zonnig. Al blijft het Noors weer, iets fris.

Met zijn vieren lopen we over de platen. Ze stijgen licht. Als het niet moeilijker wordt dan dit… Max heeft het tempo er goed in. Zijn natuurlijke neiging om iedereen voorbij te lopen, doet ook hier opgeld. Jasmijn pakt het lopen nu al serieus aan en houdt hem aardig bij. Tim, zonnebril op, pet achterstevoren, oortjes in, neemt het lopen voor lief.

Na een paar bochten, het stijgingspercentage van de platen neemt bij elke bocht toe, houdt het metalen pad abrupt op. Met een klein sprongetje sta ik met mijn voeten in de aarde. Ik sta even stil en volg het pad met mijn ogen. Jasmijn verdwijnt net om de eerste bocht. De blik is verraderlijk; de route lijkt vrij glooiend omhoog te gaan, maar als ik doorloop, vertellen mijn kuiten me anders. Ik check mijn waterflesje in mijn gordel. Ik heb nu al enorme dorst. Door de nieuwe medicijnen waar ik drie weken geleden mee gestart ben, is mijn mond veel sneller droog. Een bijwerking die nog wel overgaat, hoop ik. Ik zie dat Tim ook steeds verder van me verwijderd raakt en versnel mijn tempo iets.

De route is al begaan door duizenden mensen. Allemaal hebben ze deze stappen gezet. Het vriendelijk stijgende begin heeft de belofte van een ontspannen wandeling vol natuurschoon. Naarmate ik het metalen pad meer achter me laat, neemt de spanning in mijn kuiten echter toe en steeds vaker moet ik op een wortel of een richel stappen om me verder omhoog te hijsen. De bomen worden kaler en hun dichtheid steeds minder. De speling van de zon door de takken gaat geleidelijk over in het felle licht dat, niet meer gehinderd door gebladerte, vrij spel krijgt. Ik loop en klim, trek mezelf omhoog aan een tak die meebuigt onder mijn gewicht maar me net genoeg houvast geeft om niet te vallen. Max, Jasmijn en Tim zijn nergens meer te bekennen. Ik word ingehaald door Noren die fitter zijn dan ik, gewend aan de uitdagingen van hun land. Mijn benen doen pijn, mijn kuiten zijn zuur en mijn bovenbenen trillen af en toe onbedaarlijk. Mijn gehijg leidt me af en ik probeer mijn mond dicht te houden zodat het minder droog voelt. Maar als ik klim, kom ik lucht tekort en ik moet diepe teugen lucht nemen. Mijn tong plakt aan mijn gehemelte en minutenlang kan ik aan niets anders denken dan aan dat droge gevoel terwijl ik verder ploeter. Af en toe neem ik een slokje water. Het lauwe vocht zoekt zich een weg langs mijn tong en mijn tanden, naar mijn wangen en tenslotte mijn keel. Het ruwe, bobbelige wordt weer glad en mijn tong kan zich weer soepel door mijn mond bewegen. Dat voelt zo fijn dat ik het hele flesje leeg wil drinken, maar mijn verstand prevaleert. Ik loop hier, Max is in geen velden of wegen te bekennen en hij heeft de rest van de flesjes. Ik moet zuinig zijn.

Volgens de berg kan er nog een schepje bovenop. Het pad wordt steiler. De droge ondergrond geeft weinig grip en mijn schoenen glijden regelmatig weg over de losse zandkorrels die erop liggen. De wortels die als traptrede kunnen fungeren, worden steeds spaarzamer nu er alleen nog kleine boompjes staan. Op de smalle stukken hopen de mensen achter mij zich op en steeds moet ik opzij stappen om ze te laten passeren. Hoe doen zij dat? Mijn benen stoppen niet meer met trillen. De kracht om mezelf omhoog te duwen neemt daardoor af. Hijgend klauter ik verder, van mond gesloten houden kan geen sprake meer zijn. Mijn hart bonst zijn protest. Ik probeer de steken te negeren. Tranen lopen over mijn wangen en ik vloek over het verspilde vocht. Mijn flesje is allang leeg. Ik moet door. Het moet.

Ik ben alleen nog maar trillen, tranen, hijgen. Ik vraag me niet eens meer af waarom ik naar boven wil. Mijn tong laat mijn gehemelte niet meer los, voor eeuwig vastgeplakt en waarschijnlijk binnenkort vergroeid. Ik reik naar elk boompje op de route, wankelend op zoek naar houvast. Mijn voeten zoeken hun weg, ik zie ze gaan als ik naar beneden kijk. Glijdend en tastend. De zanderige paadjes hebben plaats gemaakt voor gesteente. Als het niet lukt mijn voet omhoog te zetten op een randje en me dan omhoog te duwen, probeer ik of ik mijn knie erop kan leggen en kruip op handen en voeten verder. De natte rug van mijn T-shirt voel ik al niet meer, of misschien is het opgedroogd in de zon. Die nu onbedaarlijk warm op mijn hoofd schijnt. Ik moet door.

Opeens realiseer ik me dat ik het al een tijdje hoor. Stromend water. Ik kijk om me heen, maar zie niks dat op water lijkt. Ik probeer het te lokaliseren. Het is vlakbij. Tussen het bonzen van mijn hart is daar opeens een vreugdesprongetje. Water! De pijn in mijn benen lijkt minder. Ik hervat mijn tocht maar in plaats van op de route te letten, concentreer ik me op het geluid van het stroompje. Het wordt steeds duidelijker waar het vandaan komt. De belofte van vocht maakt mijn tred steviger. Dan zie ik het. Een nat stroompje over een rotsige wand. Klein en niet op te vangen. Maar het is water. Ik weet nu dat ik het ga vinden. Mijn tong probeert zich los te scheuren van mijn gehemelte om zich alvast te strekken voor het water dat komen gaat. Het lukt niet. Ik probeer het te negeren, ik wil me niet af laten leiden nu ik zo dichtbij ben.

De route maakt nog drie bochten en daar is het. Water stroomt in een behoorlijke stroom van de bergwand af . Het gaat over een uitstulping en daar gaat het verder in een nog behoorlijk krachtige vrije stroom over de rand, in een vrije val naar de steen die eronder ligt. Ik kan erbij! Nog een paar meter. Dan sta ik voor het stroompje en maak van mijn handen een kommetje. Mijn kommetje hou ik onder de straal en ik buig mijn hoofd naar voren. Goddelijk verlangen. Mijn lippen tuiten en ik zuig. Het water komt in mijn mond. Koel. Koud, ijskoud. Mijn tong scheurt los van mijn gehemelte. Hij beweegt weer vrij in mijn mond. Hij wordt koud en glad en nat. Ik drink en ik drink. Mag dit? Mijn keel smeert zich en ik heb nu pas in de gaten hoe droog ook mijn keel was. Ik voel mijn tranen alweer stromen. Dat ik water drinken mag. De kou, het nat, de smaak. Ik drink en ik drink en dan maak ik mijn lippen los van het stroompje. Ik ga rechtop staan en kijk om me heen. Doordat de begroeiing hier zo laag is, is het uitzicht fenomenaal. Ik kijk naar het stroompje. Ik drink. Dan vul ik mijn flesje en na een laatste slok vervolg ik mijn weg.

Ik weet niet of het pad nu minder steil is, of dat het zo lijkt. Mijn lichaam is tot rust gekomen tijdens de drinkpauze. Ik loop, zoek met mijn voeten de weg, hou me hier en daar vast aan een boompje en loopt de volgende bocht om. Daar zitten Max, Tim en Jasmijn op een richel van de rotsige wand. Ik zie Jasmijn Max aantikken en naar mij wijzen. Alle drie kijken ze en ze lachen. Ik lach terug. Met hernieuwde energie leg ik de laatste meters af. Als ik voor Max sta, slaat hij zijn armen om me heen en ik begin heftig schokkend maar geluidloos te huilen. Hij houdt me vast tot ik bedaar. Ik veeg mijn tranen af en wijs naar het ijzeren platform dat tegen de bergwand is gemonteerd.

De vloer bestaat uit een rooster waardoor je naar beneden kijkt. Samen met Jasmijn ga ik op de uiterste rand staan en Max neemt foto’s. We kijken van ons af. De berg waar we opstaan is ongeveer net zo hoog als de omliggende bergen. Zilvergrijze toppen tekenen scherp af tegen de strakblauwe lucht. Ik kijk door het rooster naar beneden, de onmetelijke diepte in. Hoe lager, hoe meer bomen. Ik stel me voor hoe er een poortje in de reling van het platform zou zitten dat ik open kan doen. Hòe ik het open zou doen en gewoon over de rand zou stappen.

Dan draai ik me om en zie hoe Max aan de rand van het platform staat te twijfelen. Zijn hoogtevrees lijkt te winnen. Ik roep hem en Jasmijn vult aan hoe mooi het is, op deze plek van het platform. Tim stopt zijn oortjes in zijn zak en loopt voorzichtig naar ons toe, het laatste stukje versneld hij zijn pas. Van de zenuwen gaat hij snel praten terwijl hij opnoemt wat allemaal zo prachtig is. Max kan nu niet meer achterblijven. Met zijn vieren staan we voor de reling en we nemen een selfie. Dan draaien we ons om en nemen er nog een, met de bergtop op de achtergrond. Ik krijg slappe knieën als Tim zijn telefoon uitdagend over de reling houdt. Max geeft me een kus en grijpt mijn hand om samen het platform af te lopen. We kunnen weer naar beneden.

 

Taxi voor de heer Roozeboom

Vol spanning wacht ik op het antwoord van mijn uitgever. De titel van mijn boek staat op het punt om geboren te worden. Wat goed om te zeggen, trouwens:

‘Mijn Uitgever.’

Ik zie mezelf nog zitten in de stoel van de therapeut. Uitkijkend op al die boeken achter hem, keurig recht in de schappen. Een belezen man. Daarin herkenden we elkaar. Omdat ik me schrijvend gemakkelijker uit, hielden we er naast onze gesprekken een hele correspondentie op na. Op een dag vroeg hij wat ik wilde en ik zei:

‘Een boek schrijven.’
Zonder omhaal antwoordde hij:
‘Moet je doen. Dat kun je.’ Ik was totaal verbouwereerd.

Het zaadje was geplant. Maar als het moest, moest het goed. Niet halsoverkop. Dat kan ik niet, halsoverkop. Ik ben meer van gedegen voorbereiden.

Dus sprak ik met mezelf af: Het boek dat ik schrijf, wordt uitgegeven. De lat moet vooral niet laag.

Iets van uitleg of onderricht leek cruciaal. Als je ‘Schrijfopleiding’ invoert bij Google, krijg je 30.700 resultaten. De toevoeging ‘Arnhem’ reduceert dat gelukkig tot 815 resultaten. Daartussen was de Schrijversacademie snel gevonden. Zes dagen later begon de opleiding in Velp.

Eenmaal gestart met het schrijven van mijn boek, vlogen de woorden mijn vingers uit als een nooit uitgeput rakende snelkookpan die eindelijk zijn stoom mag afblazen. Het werd tijd werk te maken van een uitgever.

Meestal is het niet in een keer raak. De literair agent die ik sprak op de studiedag van de Schrijversacademie en had weten te interesseren voor mijn verhaal, haakte na het lezen van een stuk van mijn manuscript af, omdat het ‘zijn type boek’ niet was. Het grotere agentenbureau waar hij me naar doorverwees, volstond met een door een stagiair geschreven afwijzing ‘het past niet in ons fonds en zoals voor ons te doen gebruikelijk lichten we dit niet toe.’ Ik had na deze debacles geen idee hoe verder.

Gelukkig kwam de taxi van Marcel Roozeboom op tijd. Op een Uitgeversdag in Baarn had ik hem juist mijn hand toegestoken en met meer bibbers dan bravoure mijn naam gezegd. De taxichauffeur riep nog een keer luid de ruimte in niet te wachten. De heer Roozeboom stapte op de taxichauffeur af en ik had het nakijken.

‘Daar gaat mijn boekpitch,’ dacht ik. Ik werd me bewust van mijn zweterige oksels en slappe knieën en draaide me om, klaar om af te druipen.

Nog eenmaal keek ik over mijn schouder. Breed lachend kwam hij mijn kant weer op.

‘Zo, waar waren we?’ Wat volgde was een van hot naar her gesprek dat alle regels van een goede boekpitch schond. Aan het eind grabbelde hij in de zak van zijn colbert en overhandigde me het felbegeerde visitekaartje. Warmte golfde door me heen. Dit was het begin!

De volgende dag mailde ik, zoals afgesproken, mijn boekvoorstel, met, natuurlijk, een haakje naar de taxi.

De titel van mijn boek staat op het punt geboren te worden. En zoals afgesproken, volgt mijn boek gegarandeerd.

 

%d bloggers liken dit: