Blogs, Nieuws

Zoals de genade van God, zijn de kaarsen gratis

Je kijkt in de kerk richting het altaar vanuit het middenpad. De voorkant van de kerk is rond en bevat drie hoge glas-in-loodramen waarvan de middelste erg kleurig is. De banken in de kerk zijn lichtgroen.
Kerk in Hjo, Zweden. Foto: Mascha Gesthuizen

Het wordt lichter bij het binnentreden van deze kerk. De banken zijn groen van een moeilijk te beschrijven groene kleur. Geen mint, dennen, mos, of gras, wel een lichte tint, maar toch sober. De kleur van de kussens op de banken benadert die van de klassiek rode kleur van de houten huizen in dit land. 

Ze storen zich niet aan onze komst

Voorin heeft dit heilige gebouw een halfronde vorm met drie grote glas-in-lood ramen waarvan alleen de middelste een kleurige prent heeft. Het voelt open.

Ik sta in het midden van het gangpad en neem de indrukken op. Op de voorste bank is een oud echtpaar verwikkeld in een geanimeerd gesprek. Ze storen zich niet aan onze komst, zo’n luid gesprek kan hier blijkbaar. Op het gietijzeren statief staan twee brandende kaarsjes, ongetwijfeld net aangestoken. Ik stel me voor hoe het echtpaar de charmes en de onhebbelijkheden bespreekt van de doden voor wie zij de kaarsjes laten branden. 

Kinderspeelhoek

In tegenstelling tot de meeste Duitse en Oostenrijkse kerken is dit een kerk waar ik me niet nietig voel maar op mijn gemak. Het is warm en gemoedelijk. Zweedse kerken zijn anders dan Nederlandse, Duitse of Oostenrijkse. Ik denk aan de kinderspeelhoek die ik eerder deze week in een kerk elders zag. Compleet met kleurplaten en verkleed-kleren. Habijten, dat wel.

Ik word terug gehaald uit de wirwar van kleerhangers en onderjurken aan het kinderkleedrek doordat het echtpaar nog harder gaat praten. Ze staan stram en stijf op en hobbelen de kerk uit, de conversatie lijkt nog lang niet klaar. 

Spreken met de doden?

Zoals de genade van God, zijn de kaarsen gratis. Foto: Mascha Gesthuizen

Het statief trekt me naar zich toe. Nooit brandde ik een kaars voor iemand die dood was. De mensen die ons ontvallen, houden simpelweg op te bestaan voor mij. Je kunt doen wat je wil, maar het zal ze nooit meer bereiken. Ik heb nooit gesproken met of tegen mijn dierbaren die niet meer bestaan uit vlees en bloed maar slechts als herinnering. Nooit zeg ik tegen mijn kinderen: ‘Opa zou trots op je geweest zijn.’ 

Tot ik me realiseerde dat dit ‘missen’ is. En dat dat betekent dat hij of zij nog stevig in mijn leven verankerd is, omdat de denkbeelden gevangen zitten in de meningen en uitingen die ik zelf doe. En dat ik op de momenten van gemis vooral zoek naar de steun en erkenning die ik ooit mocht ervaren, omdat die zo veilig en vertrouwd voelde, zo warm en liefdevol. Dan ben ik dankbaar dat ik die heb mogen ervaren en dat ik de herinnering daaraan nog altijd bij me draag.

Troost uit het hiernamaals

Deze warme vriendelijke kerk roept dit allemaal bij me op. Nou ja, die kerk natuurlijk niet, maar het feit dat het terugkomen uit mijn recentste depressie, het fijne land waar ik ben, de warme sfeer van de plek waar ik sta met twee van de drie belangrijkste mensen in mijn leven op dit moment. Dat komt hier voor die kaarsjes, allemaal bij elkaar.

Statief waarop wij onze kaarsen branden. Foto: Mascha Gesthuizen

Het lijkt me heel troostend als je kunt geloven in een vorm van het hiernamaals. Als je kunt vertrouwen op steun of erkenning van die persoon die jou zo dierbaar was maar die je nooit meer kunt omhelzen. Vaak heb ik verlangd naar dat soort troost en soms zelfs gehuild, om het gemis daarvan. 

Ik loop naar het bakje met kaarsen en pak er een uit. Ik weet nu dat iedereen dit op zijn eigen manier kan doen, vanuit zijn eigen motieven. Ik steek de kaars aan en denk aan papa. Deze kaars brand ik voor mezelf, om zo stil te kunnen staan bij het verlies van mijn vader, al zo lang geleden. Na al die jaren kan ik eindelijk een kaars branden, in zijn naam.

Vereeuwig je hersenspinsel

Schrijf de boodschap die je achter wil laten. Foto: Mascha Gesthuizen

In deze kerk mag je bestaan, gewoon omdat het kan. Je doet er misschien zelfs toe. Iets van je hersenspinsels kun je achterlaten als je wil, je zijn markeren. Zodat iemand je kan vinden, zelfs als je er niet meer bent. En dan misschien een mooie herinnering toe kan laten. Of niet…

1 augustus 2019
Wie ruimte neemt ogenschijnlijk onbegaanbare paden te verkennen
vindt zichzelf
maar ziet nog zoveel meer!
Mascha Gesthuizen
Vereeuwig je hersenspinsel en besta. Foto: Mascha Gesthuizen
Standaard
Blogs, Nieuwe roman in de maak

Je bent er. Meer is niet nodig.

De route bij het Keizer Traianusplein driekwart rond en naar beneden heb ik jaren niet gereden. Toch zit hij nog in mijn ruggenmerg. Ik laat de stad achter me en rij de polder in. In deze tijd van het jaar en zo net na een regenbui, toont de natuur zich hier op zijn groenst. 

De Kekerdomse Molen ‘de Duffelt’-Streekgala 2017

Tussen de weilanden door en over dijken vervolg ik mijn weg. De omgeving is niet vreemd maar ook niet meer eigen. Ik vraag me af wat ik  verwacht had. Ik kan vandaag weer niet bij mijn gevoel. Nu nog niet, tenminste. Zonder twijfelen neem ik de afslagen en doorgaande wegen gaan over in landweggetjes. Voor het eerst zie ik dat ook hier het leven door is gegaan. Rode fietsstroken markeren de overgang van weg naar berm.

Ik rij de straat in waar ik word verwacht en terwijl ik parkeer zie ik achter een raam mensen in beweging komen. De basis van deze afspraak is ongeveer vijfendertig jaar geleden gelegd. Meisjes waren we nog. Paarden waren onze verbindende factor maar de herkenning van onze gekte het fundament. Alleen, dat wisten we toen nog niet.

Als ik uitstap, komt een kleurig uitgedoste vrouw me tegemoet. Voor ik het weet word ik stevig in de armen gesloten. Een fysieke herinnering aan lang geleden, geruststellend. Als er nog weerstand in mij aanwezig was, is die nu weggeknuffeld en ik ben klaar om mee naar binnen te gaan, waar haar ouders op mij wachten. 

De goede dingen in het huis, zoals de kroonluchter boven de salontafel waarvan ik destijds met verbijstering getuige was van de aankoop, zijn behouden. Andere dingen, het wolkjesbehang op haar kamer, zijn vervangen. Ik voel me meteen thuis.

We lunchen en ik zit op de stoel waar ik toen ook altijd zat. Toen, nu, intussen, alles komt voorbij. Haar psychiatrische aandoening en hoe zij en haar ouders ermee omgaan. Jaren zat ik verstikt in vooroordelen over hoe haar ouders er volgens mij tegenaan keken. Als het ooit al zo was zoals ik me had voorgesteld, dan hebben ze een heel proces doorgemaakt van groei en ontwikkeling. Accepteren en leren hun dochter te begrijpen en ondersteunen, in de basis door een stabiel thuis te bieden, maar ook in periodes van instabiliteit. En niet alleen dat, maar ook de vanzelfsprekendheid waarmee dat blijkbaar gaat, gewoon, omdat zij hun dochter is.
Haar moeder zei: ‘Het is even moeilijk, maar het duurt meestal een paar dagen. Dan is het ergste weer voorbij.’
Zonder oordeel. Zonder slachtoffergedrag.

Ik voelde bewondering voor deze loyaliteit aan hun dochter. Het gesprek ging verder. Haar ouders vonden het soms lastig dat ze van niks wisten. Dat ze leken waren. Voor haar was het goed zoals het was; ze wist zich veilig en geborgen, zelfs op de momenten dat haar wereld werd verwisseld voor een ongrijpbare, bizarre wereld die haar fopte en haar te grazen nam. Hoe bijzonder is het dat een band tussen mensen dat kan bewerkstelligen. Dus ik zei: ‘Je bent er. Meer is niet nodig.’ En ik wist dat het waar was. 

From Wikimedia Commons, the free media repository

Ik rij weg, verzwaard door toegelaten gevoel en tegelijkertijd opgetild door ervaren warmte. Ik weet dat ik het vandaag aankan meer herinneringen te ontvangen. Dus ik stuur de auto langs het Gasthuis, waar oma introk toen je nog naar het bejaardenhuis verhuisde omdat je vijfenzestig werd. Ik sta stil bij de veranderingen in de maatschappij; hoe komt het dat de sfeer in de gezondheidszorg zo grimmig is geworden, dat afhouden en naar andere instanties doorverwijzen de norm is geworden? Hoe zou het mijn vriendin vergaan als ze niet terug kon vallen op haar ouders, om wat voor reden dan ook? Mijn omarmde gevoel van dit moment lijkt die omslag door de jaren opeens te benadrukken.

Ik vervolg mijn weg langs de kerk middenin het dorp. De kerk die ik vooral ken van het afscheid van mijn beide oma’s, mijn opa en mijn vader. Voor mij is de kerk verbonden aan de dood, op een waardige manier. Wat moet het troostrijk zijn je te kunnen laven aan een geloof dat je richting geeft en houvast.

Als ik het dorp uitrijd, word ik terug gehaald naar het nu. Haast onherkenbaar staat daar de boerderij die het decor vormt van het boek dat ik nu aan het schrijven ben. Het is tijd om naar huis te gaan.

Standaard